s

Onderwerpen archief rechtbank

UWV komt na 4 jaar procederen over de brug: cliënte heeft recht op een WIA uitkering

4 jaar geleden kwam mevrouw Y bij mij terecht. Zij had bij het UWV een WIA uitkering aangevraagd omdat ze arbeidsongeschikt is. Het UWV vond echter dat ze niet arbeidsongeschikt was omdat haar beperkingen volgens hen niet verklaarbaar waren vanuit haar medische diagnosen. Zij vonden dat de ernstige beperkingen die mevrouw Y stelde te ervaren niet allemaal konden passen bij de reeds gestelde diagnosen (waaronder fibromyalgie). Mevrouw Y wilde het er niet bij laten zitten. Ze kan immers het gros van de dagen niet lopen, heeft een scootmobiel, gehandicaptenparkeerkaart, ontvangt hulp aan huis bij het wassen en aankleden en heeft te weinig energie om de dag zonder het nemen van (bed)rust door te komen, maar volgens het UWV kan zij 40 uren per week werken want ze kunnen haar ernstige beperkingen niet verklaren uit de door artsen bij haar tot dan toe gestelde diagnosen en dan is mevrouw Y daar maar de dupe van. Verder gaven zij mevrouw Y sterk het gevoel dat zij zich maar aanstelde en men haar niet geloofde.

Ik geloofde mevrouw Y wel, maar ik ben zelf natuurlijk geen arts. In bezwaar deden we er alles aan om de visie van het UWV van tafel te krijgen en verzochten we hen om mevrouw Y nader te onderzoeken omdat ze er gelet op haar omstandigheden niet zomaar vanuit mochten gaan dat ze zich aanstelde en dat er geen sprake zou kunnen zijn van een andere nog niet gestelde diagnose waaruit de beperkingen te verklaren zouden zijn. Ze moesten dit verder onderzoeken! Het UWV had er geen boodschap aan. Ze vonden dat ze zorgvuldig genoeg te werk waren gegaan en verklaarden ons bezwaar ongegrond.

We legden de zaak aan de rechtbank voor. Er moest een verklaring zijn voor haar ernstige beperkingen. We besloten om in de beroepsprocedure bij de rechtbank zelf een eigen verzekeringsarts in te schakelen. Hij onderzocht het gehele dossier en sprak met mevrouw Y. Vervolgens kwam hij met een mogelijke verklaring/diagnose voor haar ernstige beperkingen. Mevrouw Y had in het verleden te kampen gehad met forse psychische problemen met name voortkomend uit een zeer belastende/traumatische voorgeschiedenis . Deze trauma’s en problemen zijn niet verwerkt en waren daarvoor mogelijk te ernstig. In haar geval hebben deze geleid tot de ontwikkeling van een zogenaamde somatoforme stoornis waarbij de psychische problemen door het brein als het ware verdrukt worden en zich uiten in zeer forse lichamelijke beperkingen (zoals verlammingen). De verzekeringsarts van het UWV kon zich er niet in vinden en hield voet bij stuk. Hij had de zaak onderzocht, hij had gelijk en daarmee basta. Een langdurige beroepsprocedure volgde met een tweetal zittingen en veel correspondentie over en weer. Uiteindelijk ging de rechtbank (onbegrijpelijk) mee in de visie van het UWV en verklaarde ook het beroep ongegrond. Een onbevredigend en zeer onrechtvaardig resultaat. De rechtbank had dezelfde oogkleppen opgezet als het UWV.

We lieten er geen gras over groeien en besloten tegen de uitspraak in hoger beroep te gaan bij de Centrale Raad van Beroep. De door het UWV ingenomen standpunten heb ik zodanig kunnen weerleggen dat de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet zonder meer in haar visie kon worden gevolgd. Er was verdergaand onderzoek nodig door een deskundige die door de Centrale Raad van Beroep zou worden aangewezen (en betaald). Door de deskundige prof. dr. Z. werd een psychiatrische expertise verricht.

Zijn rapport was duidelijk. Er is bij mevrouw Y inderdaad sprake van een somatoforme stoornis waaruit haar zeer ernstige lichamelijke beperkingen kunnen worden verklaard. Gisteren ontving ik via de Centrale Raad van Beroep het bericht dat het UWV eindelijk na 4 jaar procederen en met oogkleppen op vasthouden aan een aantal onhoudbare stellingen ook tot de conclusie komt dat mevrouw Y volledig arbeidsongeschikt is en geen benutbare mogelijkheden in arbeid heeft.

Mevrouw Y is enorm blij dat zij na deze lange en lastige strijd eindelijk in het gelijk wordt gesteld door het UWV, al komt het pas op een moment waarop het UWV eigenlijk ook niets anders meer kan dan toegeven. Burgers mogen meer perspectief verwachten van het UWV, zeker gelet op hun eigen slogan…

In elk geval zal mevrouw Y nu met terugwerkende kracht vanaf de beoordelingsdatum voor de WIA alsnog een WIA uitkering ontvangen van het UWV.

Heeft u ook problemen met het UWV met betrekking tot uw recht op uitkering? Neemt u bij vragen gerust en geheel vrijblijvend contact op met ons kantoor.

Nancy Schepens

E: schepens@2180724130.ds222.danego.net

T: 040-7470129

 

Belastingdienst buitenspel gezet

Belastingdienst buitenspel gezet

Zo vlak voor mijn vakantie maak ik op kantoor de balans op van het afgelopen half jaar. Wat zijn er weer veel verschillende zaken de revue gepasseerd. Eén van de zaken die me is bijgebleven is de zaak van mijn cliënte mevrouw X (haar naam kan ik natuurlijk hier niet noemen, wel vond ze het leuk om te horen dat ik juist over haar zaak een stukje wilde schrijven).

Mevrouw X is een alleenstaande moeder die met haar werk in de zorg een inkomen heeft op bijstandsniveau. In 2012 woonde haar studerende, niet werkende zoon bij haar. Ze mocht trots op hem zijn, want hij studeerde medio 2012 na zijn laatste collegejaar keurig op tijd af. Alsof dat nog niet genoeg was vond hij direct een passende baan en per 1 augustus van dat jaar startte hij zijn loopbaan als arts bij een ziekenhuis in België. Hij bleef ook niet thuis wonen en liet zich medio juli 2012 uitschrijven op het adres van mijn cliënte en vertrok naar België.

Gelet op het beperkte inkomen wat cliënte ontving had zij in 2012 recht op zorg- en huurtoeslag. Deze toeslagen had en heeft zij ook hard nodig, anders kan zij niet rondkomen. Deze toeslagen zijn ook juist in het leven geroepen om mensen die te weinig inkomsten hebben om deze kosten volledig zelf te kunnen betalen, te ondersteunen.

Tot haar verbazing ontving zij eind 2014 van de belastingdienst het besluit dat zij over 2012 zo’n € 2.000,– aan te veel ontvangen huurtoeslag moest terugbetalen. Zoals hiervoor aangegeven genoot zij in 2012 een zeer minimaal inkomen en haar inwonende zoon had geen inkomen. Ze maakte dan ook bezwaar tegen dit besluit.

Nee, dat klopt zei de belastingdienst, u heeft inderdaad een minimaal inkomen, maar wij tellen het inkomen wat uw zoon na zijn vertrek in België (als arts) heeft ontvangen op bij uw inkomen in 2012 en dan heeft u over de maanden waarin uw zoon bij u stond ingeschreven dus geen recht op huurtoeslag. Mevrouw X gaf aan dat haar zoon dit inkomen nooit heeft ontvangen in de periode waarin hij bij haar woonde, maar pas na zijn vertrek. De belastingdienst reageerde door, in iets andere bewoordingen weliswaar, aan te geven, dat is zuur voor u, maar zo staat het in de Wet, kijkt u maar naar artikel 7 lid 2 van de Awir (Algemene Wet inzake de Rijksbelastingen). Wij rekenen met het jaarinkomen van u en uw medebewoner, ook al woonde hij niet bij u toen hij dat inkomen werkelijk ontving. Wij verklaren uw bezwaar dus ongegrond.

Mevrouw X was met stomheid geslagen. Zij nam contact op met ons kantoor en wenste mijn bijstand. Namens haar stelde ik beroep in tegen de beslissing op bezwaar bij de rechtbank Oost Brabant. De rechtbank stelde de belastingdienst in het gelijk. Zij hadden immers gewoon gehandeld conform de Algemene Wet inzake de Rijksbelastingen en dat deze wetstoepassing in het geval van cliënte ontzettend nadelig uitpakte zag de rechter wel, maar kon daar niets aan veranderen.

We lieten het er niet bij zitten. Namens mevrouw X stelde ik hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in Den Haag.

Ik stelde me op het standpunt dat artikel 7 lid 2 van de Awir buiten toepassing moest worden verklaard nu deze wetstoepassing in dit geval in strijd was met artikel 26 van het IVBPR (Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke rechten), daarin is het discriminatieverbod verankerd. In artikel 94 van de Grondwet is bepaald dat Nederlandse wetten geen toepassing mogen vinden als deze in strijd komen met zogenaamde ‘éénieder verbindende bepalingen’ van Verdragen en van besluiten van Volkenrechtelijke organisaties. Artikel 26 IVBPR is zo’n éénieder verbindende bepaling. Simpeler gezegd, ik deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Dit beroep moest uitvoerig worden onderbouwd. Immers, de Raad van State verklaard niet gemakkelijk een wettelijke bepaling niet van toepassing, zeker niet een bepaling uit een zogenaamde wet in formele zin.

Verder heb ik bij de Raad van State namens mevrouw X mijn ongenoegen geuit over de wettelijke regeling en het (ontbrekende) beleid van de belastingdienst. Immers, huurtoeslag is in het leven geroepen om 1 duidelijke reden, 1 duidelijk doel: ervoor zorgen dat niemand een groter deel van zijn inkomen aan huurlasten hoeft te betalen dan wat aan de hand van de ontwikkelde richtlijnen als aanvaardbaar wordt berekend.

Hoe krom kan het zijn; een wet met een bepaald doel en daarin opgenomen een bepaling die juist personen die onmiskenbaar tot de doelgroep behoren in bepaalde omstandigheden de rechten op grond van die wet ontneemt terwijl hiervoor geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat.

Door na te laten beleid te ontwikkelen voor deze gevallen, terwijl niet gebleken is dat dit onmogelijk en/of te kostbaar zou zijn, schiet de wet zijn eigen doel volledig voorbij, dat is ontoelaatbaar.

Een paar maanden na de zitting volgde de uitspraak van de Raad van State. Het hoger beroep was gegrond verklaard. De Raad van State had ons in het gelijk gesteld en artikel 7 lid 2 Awir buiten toepassing verklaard omdat deze bepaling in strijd werd geacht met artikel 26 IVBPR. Voor de geïnteresseerden onder u hierbij de link naar de uitspraak van de Raad van State van 30 maart 2016: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2016:865

Deze uitspraak heeft een gat geslagen in het strikte toeslagenstelsel en de regelgeving daaromtrent zoals die gehanteerd wordt door de belastingdienst. Wanneer deze regelgeving aantoonbaar zo onrechtvaardig is dat deze in strijd komt met de internationale verdragen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur maakt u, ondanks dat de wet u dus ongelijk geeft, kans van slagen in een rechterlijke procedure. Ik ben benieuwd of de belastingdienst haar beleid in dit soort kwesties gaat aanpassen zoals dit voor 2012 wel geschiedde middels toepassing van de zogenaamde 10%-regel.

Zit u met vergelijkbare kwesties/vragen? Maakt u dan allereerst vooral op tijd bezwaar tegen de besluitvorming van de belastingdienst (dat is cruciaal) en neemt u desgewenst gerust en geheel vrijblijvend contact op met ons kantoor: 040-7470129.  Een mail sturen kan ook naar: info@2180724130.ds222.danego.net

Mijn collega’s zullen u van dienst zijn, voor mij is het nu eerst tijd voor vakantie.

Nancy Schepens, Janssen Schepens advocatuur & incasso

 

Beëindiging gezamenlijk gezag door rechter

Regelmatig treffen wij binnen onze praktijk ouders die vanwege een blijvend slecht contact en blijvend slechte communicatie met hun ex-partner of het ontbreken van ieder contact met hun ex-partner en tussen hun ex-partner en de kinderen, alleen belast willen worden met het gezag over de kinderen. Ze willen niet meer telkens hun ex-partner (of uiteindelijk als dat niet lukt de rechtbank) om toestemming vragen als er een paspoort of identiteitskaart moet worden aangevraagd, van school wordt gewisseld een buitenlandse reis wordt gemaakt of wanneer hun kind medische behandeling nodig heeft.

In sommige situaties past het vragen van toestemming niet echt meer bij de situatie omdat er al lange tijd (jarenlang) geen contact is geweest tussen de ex-partner en het kind.

In andere situaties leidt iedere vorm van communicatie tussen ouders tot ernstige conflicten en wanneer er toestemming nodig is wordt deze niet gegeven omdat de andere ouder het niet eens is met de medische behandeling, de schoolkeuze of het nieuwe paspoort. Het komt dan soms zo ver dat de rechter een knoop moet doorhakken en moet beslissen naar welke school het kind gaat en of het wel of niet een paspoort of medische behandeling krijgt. De ouder die toestemming wenst kan de rechter dan namelijk verzoeken om vervangende toestemming te verlenen.

In de wet is bepaald dat slechts in een beperkt aantal gevallen de mogelijkheid bestaat om een verzoek om eenhoofdig gezag toe te wijzen. Er moet dan sprake zijn van een situatie waarin allereerst sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van het moment waarop ouders samen het gezag kregen. Van een ouder wordt verwacht dat deze toelicht wat er veranderd is. Tevens moeten ze aantonen dat deze wijziging ertoe leidt dat:

  1. Er sprake is van een situatie waarin er een onaanvaardbaar risico aanwezig is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen (artikel 1:251a lid 1 sub a BW) en/of;
  2. Een wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (artikel 1:251a lid 1 sub b BW)

Onlangs deed de Rechtbank Oost Brabant uitspraak in één van mijn zaken waarin ik namens een moeder een verzoek had ingediend om te worden belast met het eenhoofdig gezag over haar kind. Vader was al 5 jaar uit beeld verdwenen en liet zich naar het kind toe niet meer horen en zien.

De Raad voor de Kinderbescherming vond dat vader desondanks het gezag moest behouden omdat niet gebleken was dat hij ooit geen toestemming had verleend wanneer dat nodig was.

Namens cliënte heb ik onder meer naar voren gebracht dat in de wet duidelijk is opgenomen wat moet worden verstaan onder het uitoefenen van het gezag over een kind. Dit is niet zomaar enkel het al dan niet geven van toestemming wanneer daarom wordt gevraagd zoals hiervoor omschreven. Gezag uitoefenen houdt zoveel meer in dan dat.

Daar zegt de wet ook wat over in artikel 1:247 lid 1 en lid 2 BW:

  1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.
  2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

Juist doordat de ouder met gezag geacht wordt hieraan te voldoen is hij/zij, als zeer nauw bij het kind betrokken persoon de juiste persoon om ook de hele belangrijke beslissingen te nemen over het kind en toestemming te verlenen voor belangrijke zaken (medische behandelingen, schoolkeuzen etc).

Een ouder die uit het leven van een kind verdwijnt en van het kind vervreemd voldoet hier niet aan.

De rechtbank is daarin meegegaan en verklaarde het verzoek om eenhoofdig gezag gegrond.

Heeft u vragen over gezagsperikelen? Neemt u dan gerust en geheel vrijblijvend contact op met ons kantoor: 040-7470129. Wij staan u graag te woord. Een vraag stellen per email is ook mogelijk via: info@2180724130.ds222.danego.net